Stinzeplanten

Stinzeplanten is een verzamelnaam voor een bijzondere groep verwilderende voorjaarsbloemen en – planten.

Het zijn vooral bol-, knol- en wortelgewassen die vanaf circa de 16e eeuw werden aangeplant op buitenplaatsen, rondom kastelen en landhuizen. Zo'n landgoed wordt in Friesland een „stins" genoemd, omdat de versterkte landhuizen waren opgetrokken van steen. Er zijn plekken waar het voormalig landhuis niet meer staat, maar waar de stinzenplanten ieder jaar nog steeds uitbundig bloeien.

Van oorsprong komen stinzenplanten van elders. Soms zijn dit andere delen van Nederland, maar vaak ligt hun oorsprong veel verder. Ze zijn door avonturiers en botanisten ontdekt en naar West-Europa gebracht. Clusius (1526 – 1609) heeft vele soorten op zijn naam staan. Maar ook in eigen tuin worden tegenwoordig stinzenplanten toegepast.

Tot de groep stinzen wordt onder andere gerekend: Sneeuwklokjes, Sterhyacinten, Sneeuwroem, Winterakoniet, Krokus, Lenteklokje, Bosanemoon, Gele anemoon, Vingerhelmbloem, Holwortel, Zomerklokje, Boshyacinth, Wilde narcis, Kievitsbloem, Knikkende vogelmelk, Lelietje-der-dalen en Aronskelk.

 

Bosanemoon

Anemone nemorosa

P. BusselenP. Busselen P. BusselenP. Busselen

De Bosanemoon is een lage, overblijvende, behaarde, donkergroene, in grote groepen groeiende voorjaarsbloeier. Dicht onder het bodemoppervlak heeft de plant een kruipende wortelstok. De plant sterft in de voorzomer bovengronds af. De vruchtjes worden o.a. door mieren verspreid. Aan de Hollandse binnenduinrand is zij oorspronkelijk wild, elders in het kustgebied komt de Bosanemoon hier en daar als stinzenplant voor.

BOSANEMOON

Verspreiding: Europa, met uitzondering van het grootste deel van hel Middelandse-Zeegebied.
Lage, overblijvende, behaarde voorjaarsbloeier. Bloemen wit met roze of blauwe waas.
Kenmerk: de plant sterft in de voorzomer bovengronds af, hier en daar aanwezig als stinzenplant.

Daslook

Allium ursinum

P. BusselenP. Busselen P. BusselenP. Busselen  

Daslook is een lage, soms middelhoge, in pollen en vaak in zeer grote groepen groeiende plant. De bloei valt in de lente met witte stervormige bloemen. De stengel is driekantig. Daslook is gemakkelijk te herkennen aan de uiengeur. Tegen de zomer sterft de plant bovengronds af en verspreidt dan een nog zwaardere uiengeur dan tijdens de bloei. De plant komt op diverse plaatsen als stinzenplant voor en is wettelijk beschermd. Daslook is voedselplant van zweefvliegen en gastheer voor roestzwammen.

DASLOOK

Verspreiding: West-, Midden- en Oost-Europa. 
Lage tot middelhoge, in grote groepen groeiende plant. Bloei valt in de lente, stengels driekantig.
Bloemen: wit, stervormig. 
Kenmerk: sterke uiengeur, plant sterft tegen de zomer bovengronds af.

Italiaanse Aronskelk

Arum italicum

Italiaanse Aronskelk-2Italiaanse Aronskelk-2   Italiaanse AronskelkItaliaanse Aronskelk

Italiaanse aronskelk is een lage tot middelhoge plant, die in de tweede helft van de lente bloeit.

Al in de herfst lopen de nieuwe bladeren uit, die daarna overwinteren. De bloem is van buiten bleekgroen, van binnen geel tot witachtig. Als sierplant is hij ingevoerd in Nederland en hier en daar verwilderd. In ons land komt hij voor als stinzenplant op een groot aantal plaatsen langs de kust en langs de rivieren.

Herkomst: Zuid- en West-Europa.

Verspreiding: in Nederland ingevoerd.

Lage tot middelhoge plant, die bloeit in tweede helft lente. Blad gemarmerd.
Bloemen: van buiten bleekgroen, van binnen geel-tot witachtig.
Kenmerk: als sierplant ingevoerd, stinzenplant.

Lelietje der dalen

Convallaria majalis

P. BusselenP. Busselen   P. BusselenP. Busselen

Het Lelietje-der-dalen is een lage, in grote en dichte groepen groeiende plant, die in de tweede helft van de lente bloeit. Het heeft lange, dunne, kruipende, wortelstokken, waaraan op de uiteinden bovengrondse spruiten ontspringen. De klokvormige bloemen hangen aan gekromde steeltjes en zijn wit van kleur. De bloemen hebben een fijne zoete geur, de bessen zijn vuurrood en glanzend.

LELIETJE DER DALEN

Verspreiding: heel Europa.
Lage, in grote groepen groeiende plant, die bloeit in tweede helft van de lente.
Bloemen: klokvormig, wit.
Kenmerk: fijne zoete geur, bessen zijn vuurrood en glanzend.

Lievevrouwebedstro

Galium odoratum

WikimediaWikimedia   WikimediaWikimedia

Lievevrouwebedstro is een lage, overblijvende, meestal groen overwinterende, in grote groepen groeiende plant. Bij verwelking verspreidt het een sterke cumarinegeur, net als Honingklaver. De plant ruikt dan naar pas gemaaid hooi, en later komt daar een sterke amandelgeur bij. De zaden (dopvruchten) zijn met haakvormige haren bezet en worden als klit door zoogdieren verspreid. Behalve als sierplant en bodembedekker dient het Lievevrouwebedstro voor het aromatiseren van meiwijn.

LIEVEVROUWEBEDSTRO

Verspreiding: Europa tot de Oeral.
Lage, meestal groen overwinterende, in groepen groeiende plant.
Bloemen: wit.
Kenmerk: uitgesproken schaduwplant.

Maarts viooltje

Viola odorata

P. BusselenP. Busselen  P. BusselenP. Busselen

Het Maarts viooltje is een zeer laagblijvende overblijvende plant, die in het voorjaar bloeit. De bloemen van deze plant zijn violet, de naamgeving van deze kleur is overigens afkomstig van dit plantje. De langstelige bladeren staan in rozetten. De plant groeit graag op matig voedselrijke tot voedselrijke grond op een licht beschaduwde plek.
Uit de geurige bloemen wordt viooltjesolie bereid voor het maken van parfum. Ook wordt van deze viooltjes hoestsiroop gemaakt.