Planten en dieren

Dieren zijn anders dan planten

Dieren kunnen zich meestal verplaatsen en ze hebben geen fotosynthese. Deze twee eenvoudige feiten zijn de basis van verschillen tussen planten en dieren. Dat verplaatsen moet dan wel voordeel opleveren, want het kost wel energie. Dit voordeel is er, omdat dieren in verschillende levensstadia voordelige plekken in het landschap kunnen opzoeken.

Motvlinders kunnen bijvoorbeeld hun eitjes afzetten op waardplanten (Hemelsleutel) voor het voedsel van hun toekomstige rupsen, terwijl zij zelf de nectar kunnen ophalen uit Kruldistel, Veldsalie, Vlinderstruik (overdag) of uit Teunisbloem ('s nachts). In de bosranden kunnen zij zich in de andere vegetatie schuilhouden als de weersomstandigheden slechter zijn. Verplaatsen voor dieren heeft dus vele voordelen. Ook de planten profiteren van het dagelijkse of het nachtelijke bezoek, want allerlei insecten verplaatsen daarmee ook het stuifmeel voor de bevruchting.

Planten lokken met hun nectar vele insecten aan, maar dat doen ze ook met aanhangsels aan zaden en vruchten. We noemen dit een "mierenbroodje". Het mierenbroodje is een uitgroeisel van de zaadhuid. Het mierenbroodje bevat vooral vetten en suiker met verschillende vitamines en dit wordt door de mierenlarven opgegeten. Heel veel planten maken aan hun zaden, mierenbroodjes zoals: Maarts viooltje, Knikkende distel, Bosanemoon, Witte dovenetel, Gele helmbloem, Hangende zegge, Holwortel, Smeerwortel en in de blindentuin de "Stinkende gouwe". 'De mieren verspreiden dus de zaadjes van de Stinkende gouwe verder van de moederplant af.

Ook zoogdieren helpen mee met zaadverspreiding. In de duinen vinden we langs de paadjes van de grote grazers veelal de rozetten en planten van Welriekende agrimonie of Grote klit.

Grote klit

Arctium lappa

P. BusselenP. Busselen   P. BusselenP. Busselen

De Grote klit is een hoge tot zeer hoge, struikachtige vertakte zomerbloeier met een forse penwortel. De bloemen zijn paarsrood, en de vruchten kleven gemakkelijk aan passerende zoogdieren. Ook aan mensenhaar en kleding klitten ze gemakkelijk. De dikke penwortel kan meer dan een halve meter lang worden en is medicinaal in gebruik. Als medicijn is klitwortel een huismiddel tegen allerlei, vooral uitwendige aandoeningen van mens en dier. Uit de zaden (nootjes) is klitzaadolie te winnen.

GROTE KLIT

Verspreiding: Eurazië
Hoge tot zeer hoge struikachtige zomerbloeier.
Bloemen: paarsrood, vruchten kleven.
Kenmerk: medicijn tegen uitwendige aandoeningen van mens en dier.

Hemelsleutel

Sedum telephium

WikimediaWikimedia   WikimediaWikimedia

De Hemelsleutel is een lage, min of meer grijsgroene overblijvende plant. De bloei valt in het midden van de zomer, de bloemen zijn paars tot bruinrood, in schermvormige  bloeiwijzen. De plant was in gebruik als wondhelend en bloedstelpend middel. De Hemelsleutel vormt het enige voedsel van de Hemelsleutel-stippelmot. Dit is de enige Stippelmot die op een kruidachtige 's winters afstervende plant leeft.

HEMELSLEUTEL

Herkomst: Eurazië
Verspreiding: Europa, Turkije, Azië, en Noord Amerika.
Lage tot hoge, grijsgroene overblijvende plant.
Bloemen: paars tot bruin-rood.

Kruldistel

Carduus crispus

P. BusselenP. Busselen   P. BusselenP. Busselen

De Kruldistel is een hoge tot zeer hoge, dofgroene, zomer- en herfstbloeier.

Stengels en bladeren zijn bezet met stekels. Bloemen zijn ongeveer een centimeter lang en roodpaars van kleur. Uit archeologische gegevens blijkt dat de kruldistel zeker sinds 3200 v. Chr. in ons land voorkomt.

KRULDISTEL

Verspreiding: Eurazië.
Hoge tot zeer hoge dofgroene zomer-en herfstbloeier.
Stengels en bladeren zijn bezet met stekels.
Bloemen: rood paars.
Kenmerk: komt zeker sinds 3200 v. Chr. in ons land voor.

Middelste teunisbloem

Oenothera biermis

P. BusselenP. Busselen   P. BusselenP. Busselen

De Middelste teunisbloem is een middelhoge, tot hoge, zomerbloeier.
De bloemknoppen gaan in de avond open, en de bloemen bloeien één nacht. 's Nachts zijn de bloemen 'lichtend' geel, en ze verspreiden een sterke geur. De bloemen worden dan bezocht door o.a. de Gamma-uil, een nachtvlinder.
De zaden van de Teunisbloem kunnen tientallen jaren hun kiemkracht behouden. Vogels zoals vinken zijn er verzot op. De dikke vlezige penwortel van de Teunisbloem kan als schorseneer worden gegeten.

MIDDELSTE TEUNISBLOEM

Herkomst: ingevoerd vanuit Noord Amerika.
Verspreiding: heel Europa.
Middelhoge, tot hoge zomerbloeier.
Bloemen: helder geel.
Kenmerk: bloemknoppen gaan in avond open, en bloeien één nacht.

Stinkende gouwe

Chelidonium majus

P. BusselenP. Busselen   P. BusselenP. Busselen

De Stinkende Gouwe is een middelhoge. blauwgroene, licht behaarde, overblijvende plant. De bloei valt aan het einde van april tot de herfst. De naam "gouwe" (gouden) heeft betrekking op de lichtgele bloemen, maar ook op het oranje melksap. Aan de zwarte zaden zit een olierijk aanhangseltje, waarop mieren verzot zijn. Ze slepen de zaden daarom naar hun nest en dragen zo tot de verspreiding bij. De Stinkende Gouwe heeft ook geneeskrachtige werking. Vanouds diende het sap als oogwater. De plant werkt verder pijnstillend, stimuleert de galafscheiding en is in gebruik tegen wratten.

STINKENDE GOUWE

Herkomst: Eurazië
Verspreiding: Europa met uitzondering van IJsland
Middelhoge overblijvende plant, 20 tot 80 cm.
Bloemen: donkergeel.
Kenmerk: oranje melksap.

Veldsalie

Salvia pratensis

P. BusselenP. Busselen   P. BusselenP. Busselen

Veldsalie is een middelhoge, in de voorzomer en vaak in de nazomer bloeiende plant met een sterke netelgeur. De naam Salvia houdt verband met salvare (= redden) en slaat op de heilzame werking van Echte salie (Salvia officinalis), die vanaf de oudheid tot op heden als middel tegen allerlei ontstekingen in gebruik is, o.a. in de vorm van saliemelk. De plant bloeit rijk beladen met indigoblauwe bloemen.

VELDSALIE

Verspreiding: Zuid-, Midden- en Oost-Europa
Middelhoge in voor-en nazomer, behaarde, bloeiende plant.
Bloemen: violet-blauw, soms roze of wit.
Kenmerk: sterke netelgeur, saliemelk is middel tegen ontstekingen.

Vlinderstruik

Buddleja davidii

P. BusselenP. Busselen   P. BusselenP. Busselen

De Vlinderstruik is een lage tot hoge struik die in de zomer en vroege herfst bloeit. De paarse soms roze, of witte bloemen, staan in lange smalle pluimen. De struik is afkomstig uit China en werd in 1869 ingevoerd in Europa.

De Vlinderstruik heeft een grote naam als nectarleverancier voor allerlei dag-en nachtvlinders. Weinig planten worden zo druk bezocht door grote en opvallende vlinders als Dagpauwoog en Atalanta. Hommels, honingbijen en zweefvliegen zijn ook regelmatige bezoekers. De Vlinderstruik heeft ook betekenis als voedselplant voor rupsen en larven van diverse insecten.

VLINDERSTRUIK

Herkomst: uit China, ingevoerd 1869.
Verspreiding: ingeburgerd in West Europa.
Lage tot hoge struik, die bloeit in zomer en vroege herfst.
Bloemen: paarse, roze of witte pluimen.
Kenmerk: nectarleverancier, druk bezocht door grote en opvallende vlinders.

Wilde marjolein

Origanum vulgare

P. BusselenP. Busselen   P. BusselenP. Busselen

Wilde marjolein is een middelhoge, veelal roodachtig aangelopen fijn aromatische zomer- en herfstbloeier. De kleine roze bloemen vormen tezamen een pluimvormig geheel. In Nederland is de plant wettelijk beschermd. Wilde marjolein is voedselplant van verscheidene motvlinders, voor de mens heeft zij betekenis als keukenkruid.

WILDE MARJOLEIN

Verspreiding: heel Europa.
Middelhoge, veelal roodachtig aangelopen zomer en herfstbloeier.
Bloemen: kleine roze bloemen in pluimen.
Kenmerk: aromatische plant, keukenkruid.